Opdelen van een gebouw in meerdere gebruikstypen
Een gebouw kan bestaan uit één of meerdere gebruiksfuncties en/of gebruikstypen. De gebruiksfuncties zijn deze zoals bepaald in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In het WEii-protocol wordt daarna een verdere onderverdeling gemaakt in totaal 25 gebruikstypen, volgens de CBS-gebouwenmatrix.
Het uitgangspunt is dat alle ruimten die ondersteunend zijn aan de hoofdfunctie van het gebouw meegenomen worden bij het gebruikstype van het gebouw. Dit is omdat de energie-intensiteitscijfers waarop de WEii-klassen gebaseerd zijn uitgaan van de hoofdfunctie van het gebouw. De ervaring uit projecten en audits is dat de nevenfunctie substantieel kan zijn en dat een splitsing gerechtvaardigd is. Om hier duidelijkere richtlijn voor te geven zijn de volgende regels opgenomen in het protocol:
- Een gebouw mag als één gebruikstype beschouwd worden als minimaal 75% van het gebouw deze gebruikstype beslaat;
- Als er meerdere gebruikstypen aan het gebouw worden toegekend, dient iedere gebruikstype afzonderlijk minimaal 10% van het totaal te beslaan.
Bepalen van de gebruiksoppervlakte
In protocol 3.0 leverde de gebruiksoppervlakte soms discussie op, omdat zowel verwezen werd naar NEN 2580, BAG als ISSO-publicaties voor het opstellen van energielabels. De gebruiksoppervlakte zoals in BAG vermeld staat wordt als onvoldoende accuraat beschouwd. Hierdoor is besloten aan te sluiten op bepaling van de gebruiksoppervlakte zoals voorgeschreven voor energielabels. Kort gezegd houdt dit in dat alleen de gebruiksoppervlakte binnen de thermische zone wordt meegenomen en de oppervlakte van parkeergarages bijvoorbeeld niet.
Weerscorrectie
De WEii-score wordt berekend met een correctie voor weersomstandigheden op het energiegebruik voor verwarmen. Deze weerscorrectie is een aangepaste graaddagenmethode waarbij een stookgrens van 14 °C werd gehanteerd, met de buitentemperatuur per uur bij 32 weerstations. De stookgrens van 14 °C is een lage stookgrens die bij het eerste WEii-protocol (toen nog het WENG protocol) is gekozen, omdat dit protocol in eerste instantie bedoeld was om WENG (Werkelijk Energieneutrale) gebouwen te beoordelen.
In de praktijk blijken de graaddagen die met deze stookgrens berekend worden niet representatief te zijn voor gebouwen met een hoger energiegebruik voor verwarmen. Om de weerscorrectie in het WEii-protocol beter te laten aansluiten bij gemiddelde gebouwen in Nederland wordt de weerscorrectie in het WEii-protocol aangepast.
Referentie graaddagen
De referentie is bepaald op basis van een analyse van de klimaatscenario's KNMI'23, scenario MD, voor weerstation de Bilt. Dit is een middenscenario. Daarnaast is gekeken naar de temperaturen in het recente verleden.
In onderstaande tabel zijn de graaddagen gegeven op basis van historische weersgegevens.
.jpg)
In onderstaande tabel zijn de gemiddelde graaddagen gegeven op basis van het KNMI'23 MD scenario. Het gemiddelde heeft betrekking op de 30 jaren om het betreffende jaar heen.
.jpg)
Gezien de statistiek van de graaddagen wordt een referentie gekozen van 2200 graaddagen per jaar. De oude referentie was 1650 graaddagen bij een stookgrens van 14 °C. De huidige referentie staat voor een (circa 6%) lager energiegebruik voor verwarmen dan de oude referentie. Dit heeft effect op de berekende WEii-scores.
Invoering protocol 3.1
Vanaf maart 2026 zullen de WEii-berekeningen die met de certificeringstool, API of rekentool op weii.nl gedaan worden zijn volgens protocol 3.1. Door de verandering in de weerscorrectie zullen vooral gebouwen met een groot aandeel voor ruimteverwarming een iets betere WEii-score krijgen. Afgegeven certificaten blijven natuurlijk geldig.