FAQ
Categorieën:
Over de WEii methodiek
Uitleg WEii
WEii staat voor Werkelijke Energie-intensiteitsindicator. De score laat zien hoeveel energie een gebouw werkelijk gebruikt per vierkante meter gebruiksoppervlakte per jaar (kWh/m²). Het WEii-protocol beschrijft hoe je zelf de score berekend en hoe oppervlakte, energiestromen en correcties worden bepaald.
Een score op basis van werkelijk gebruik laat zien hoe een gebouw in de praktijk presteert. Daarmee kunnen eigenaren en gebruikers gericht besparen, resultaten volgen en gebouwen onderling vergelijken. Energielabels zijn een veelgebruikt middel om de theoretische prestaties weer te geven, studies zoals van ECN laten echter zien dat het werkelijke verbruik van een pand hiermee niet te meten is. Het energielabel en WEii vullen elkaar hierbij aan: het label beschrijft de theoretische kwaliteit, WEii het daadwerkelijke gebruik.
Energiebesparing verlaagt de energievraag; duurzame opwek voorziet zo veel mogelijk in de resterende vraag. Beide zijn nodig, omdat duurzame energie beperkt beschikbaar blijft en we nog steeds bijbouwen. Veel besparingsmaatregelen zijn bovendien kosteneffectief en verdienen zichzelf terug en kunnen het binnenklimaat verbeteren voor betere gezondheid.
WEii gaat uit van gemeten verbruiksgegevens van de hoofdmeter van een gebouw. Gebouwgebonden en gebruikersgebonden energie worden meestal via dezelfde hoofdmeters gemeten en beïnvloeden elkaar. Daarom gebruikt WEii het totale werkelijke energiegebruik. Zo kunnen eigenaar en gebruiker samen zoeken naar de effectiefste besparing.
WEii baseert de score op de fysiek gemeten energielevering en teruglevering op de locatie. Ingekochte groene stroom, groen gas en garanties van oorsprong veranderen de WEii-score daarom niet. Voor WEiiCO2 worden emissiefactoren van het Nederlandse stroomnet gebruikt. Hiervoor rekenen we met de gridmix om de werkelijke emissieuitstoot van het Nederlandse stroomnet weer te geven.
Elke januari worden de emissiefactoren herzien met de meest recente cijfers van emissiefactoren.nl.
De weegfactoren maken gebouwen met collectieve warmte- of koudelevering beter vergelijkbaar met gebouwen met een individuele warmtepomp of WKO. Bekijk voor de actuele weegfactoren het actuele protocol.
Onder nieuwbouw verstaan we alle panden die vanaf 1 januari 2021 zijn opgeleverd. Hierbij ligt de opgave in het reduceren van de emissies van het bouwproces. Nieuwbouw mag geen operationele energie meer vragen (WEii klasse WENG).
Onder bestaande bouw verstaan we alle panden die zijn opgeleverd vóór 1 januari 2021. De opgave ligt hier op het behalen van de Paris Proof doelstelling bij renovaties. Waarbij de Dutch Green Building Council (DGBC - methodebeheerder) tussenstappen heeft geformuleerd om in 2040 vooruitlopend op het Klimaatakkoord Paris Proof wil zijn. De tussenstappen op portefeuilleniveau zijn WEii Zuinig in 2025 en WEii Zeer Zuinig in 2030.

Score
Een veranderende WEii score kan verschillende oorzaken hebben. Wijzigingen in gebruik leiden tot een verschil in WEii-scores. De WEii klassengrenzen houden rekening met verschillende gebruikstypen. Het sturen op het werkelijke energiegebruik schept ruimte om ook de gebouwgebruiker te stimuleren om bewust om te gaan met energie. Zo kan het zijn dat bij een nieuwe huurder de gemiddelde binnentemperatuur hoger is gezet waardoor het energieverbruik ook omhoog gaat.
Het kan ook zijn dat installaties verouderen of niet naar behoren functioneren. Een veranderende WEii score nodigt uit om te onderzoeken waar de verschillen ontstaan en bewust om te gaan met de prestaties van jouw gebouw.
WEii-certificering
Gecertificeerde WEii-score
Een gecertificeerde WEii-score is afgegeven door een WEii-licentiehouder. Bij een gecertificeerde WEii-score kan iedereen (bijvoorbeeld een bevoegd gezag of accountant) ervan uitgaan dat de WEii-score op de juiste manier en met objectieve gegevens bepaald is.
De waarde van een aantoonbaar correcte WEii-score wordt steeds duidelijker, bijvoorbeeld bij in relatie tot Paris Proof-ambities, de portefeuilleaanpak van de omgevingsdiensten, ESG-rapportages en de eisen die de CSRD hieraan stelt. Hoewel de berekening eenvoudig is, kunnen er fouten in sluipen. Zo bestaan gebouwen soms uit meerdere ruimtes met verschillende gebruiksfuncties, klopt de invoer vanuit de BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) niet of heeft een gebouw meerdere energiemeters.
Een gecertificeerde WEii-score is een WEii-score die volgens het WEii-protocol is opgesteld en waarvan de invoergegevens op objectieve en controleerbare wijze zijn verkregen.
Met een WEii-certificaat heeft een gebouweigenaar een bewijs van een gecertificeerde score. Op deze manier weet bijvoorbeeld een accountant dat de WEii-score op de juiste manier én met objectieve gegevens bepaald is.
Het afgeven van gecertificeerde WEii-scores kan alleen gedaan worden door WEii-licentiehouders wiens werk regelmatig en steekproefsgewijs gecontroleerd worden door DGBC en TVVL. Zo blijft de kwaliteit van de WEii-certificaten gegarandeerd op peil.
WEii-licentiehouders
WEii-licentiehouders zijn organisaties waar minimaal één persoon de WEii-training heeft gevolgd en een licentie heeft om WEii-scores te certificeren. Deze organisatie wordt vervolgens door DGBC en TVVL regelmatig gecontroleerd via een audit.
Een licentiehouder is aantoonbaar in staat een correcte WEii op te stellen en daarmee gekwalificeerd om een WEii-certificaat van een gebouw af te geven. Om dit te borgen worden aan de licentiehouder technische, inhoudelijke en administratieve kwaliteitseisen gesteld.
Op deze pagina vind je een actueel overzicht van benaderbare WEii-Licentiehouders. Mocht je toch nog vragen hebben, neem dan contact op met helpdesk@weii.nl.
Op deze pagina leggen we uit welke stappen een organisatie moet doorlopen om licentiehouder te worden.
Berekeningen WEii
Hoe de rekentool werkt
WEii gebruikt het gemeten energiegebruik op de hoofdmeters over één kalenderjaar, gedeeld door de gebruiksoppervlakte. Warmte en koude krijgen een weegfactor; daarnaast kunnen weerscorrecties en toegestane uitsluitingen worden toegepast. De volledige methode staat in het WEii-protocol.
WEii gebruikt de netto energieafname over het jaar: levering minus teruglevering. Lokale opwek verlaagt daardoor de WEii-score. PV-opwek wordt voor vergelijking tussen jaren gecorrigeerd naar een standaard klimaatjaar, zodat een extreem zonnig (of bewolkt) jaar geen invloed heeft op de score. WEiifinaal toont het totale gebruik inclusief lokale opwek.
WEii gaat uit van het verbruik in kWh per m2 per jaar. Dit houdt in dat al het energiegebruik omgerekend wordt naar kWh. Elektriciteit wordt al in kWh gemeten en is zo van de energierekening af te lezen. Voor de andere energiedragers - aardgas (m3), warmte en koude (GJ), biomassa (kg), wordt deze met de energiefactor omgerekend naar kWh. Daarnaast wordt voor warmte en koude een weegfactor gebruikt om individuele en collectieve installaties op een gelijkwaardige manier te kunnen vergelijken. De WEii rekentool rekent de energiedragers automatisch om naar kWh.
Voor het bepalen van het aantal vierkante meters van een gebouw is ervoor gekozen om het gebruiksoppervlakte als uitgangspunt te nemen. Daarvoor zijn een aantal redenen:
-
De WEii-klassen van energie-intensiteit en daarmee ook de Paris Proof-ambitie zijn bepaald op basis van onderzoek van ECN: rapport e15068 waarbij ook gerekend wordt met GO.
-
De oppervlakte zoals geregistreerd in BAG (Basisregistratie adressen en gebouwen) is gegeven als gebruiksoppervlakte. BAG is een openbare bron en kan dus eenvoudig gebruik worden als informatiebron.
-
Het vanuit het Klimaatakkoord ontwikkelde Datastelsel Verduurzaming Utiliteit (DVU), waar gebruikers en eigenaren hun energie-intensiteit in kWh/m2 kunnen opvragen, is gekoppeld aan de BAG en rekent dus ook met GO.
-
Energieregelgeving zoals de BENG voor nieuwbouw en het energielabel voor de bestaande bouw werken met de gebruiksoppervlakte.
Omdat we het werkelijk verbruik als een aanvulling zien op het theoretische bepaalde verbruik is besloten om ook in eenheid aan te sluiten op de naast elkaar bestaande methoden.
Uitzonderingen
Het actuele protocol omschrijft welke verbruiksposten mogen worden uitgesloten, hierbij geld als basis dat er aangetoond moet kunnen worden hoeveel de uitgesloten post heeft verbruikt. Hiervoor kun je besluiten tussenmeters te gebruiken of installeren.
Bij WEii bekende uitgesloten energieverbruiken zijn onder andere:
- Verbruiken van datacenters; WEii kent hiervoor geen juiste berekening
- Laadpalen voor elektrische auto's
- Verlichting buiten de gebouwgrens
De WEii-methode sluit het oppervlaktegebruik van de parkeergarage uit; dus de definitie van GO volgens de NEN 2580 uitgezonderd parkeergarages.
Belangrijk om in oog te houden: het energieverbruik t.b.v. verlichting en ventilatie in de parkeergarade, dient wel mee te worden genomen in de berekening.
WEii kijkt naar het energiegebruik op de hoofdmeter. Bij een individuele elektrische warmtepomp met een COP van 4, levert de warmtepomp 4 eenheden warmte voor één eenheid elektriciteit. Deze hoeveelheid elektriciteit wordt in de WEii-berekening meegenomen. Bij een collectieve warmtepomp kijken we naar het warmteverbruik. Daar staan de 4 eenheden warmte op de meter.
Om deze situaties enigszins gelijk te trekken is bij protocol versie 2 een weegfactor voor warmte en koude geïntroduceerd van 0,33 voor warmte en 0,10 voor koude.
Met het WEii-protocol 3.0 wordt er standaard een weerscorrectie toegepast. De weerscorrectie vindt plaats op het energiegebruik voor verwarmen en op de PV-productie. Deze wordt uitgevoerd op basis van graaddagen en zonuren van het dichtst bijliggende meteostation. Door invoer van het adres van het gebouw in de rekentool wordt automatisch dit meteostation bepaald.
De rekenmethode
Er zijn meerdere bronnen waar je de GO uit kan ontsluiten. Hanteer bij meerdere beschikbare bronnen deze voorkeursvolgorde:
- Gecertificeerde NEN 2580-meetstaat
- Actueel energielabel
- Eigen berekening volgens NEN 2580/NTA 8800
- BAG met verklaring van de eigenaar.
Gebruik VVO alleen wanneer dit aantoonbaar naar de juiste GO is herleid, inclusief eventuele glaslijncorrectie. Neem bij vragen of twijel gerust contact op met de helpdesk@weii.nl
Gebruiksuren en bezetting beïnvloeden het werkelijke energiegebruik en zijn daarmee indirect zichtbaar in de WEii-score. WEii past hierop geen aparte correctie toe, omdat er nog geen betrouwbare en praktisch toepasbare methode voor alle gebouwtypen beschikbaar is.
Het is mogelijk dat een gebouw meerdere functies beslaat: een multifunctioneel gebouw. Bepaal per gebruikstype de gebruiksoppervlakte en de bijbehorende klassengrens. Bereken bij meerdere substantiële gebruikstypen een naar oppervlakte gewogen grens. Kleine nevenfuncties mogen of moeten volgens de samenvoegregels uit het actuele protocol bij het hoofdgebruikstype worden gevoegd. Zo mag je pas een nieuwe functie toevoegen aan het gebouw als deze meer dan 10% van het GO beslaat. Minder dan 10%? Dan mag de oppervlakte en bijbehorend energieverbruik onder de hoofdfunctie berekend worden.
Bijvoorbeeld
Een gebouw bestaat voor 80% uit kantoor en voor 20% uit een bedrijfsrestaurant (keuken, koeling, zitgedeelte etc.). Dan wordt de klassengrens voor jouw gebouw (0.8 x 70 kWh/m2) + (0.2 x 200 kWh/m2) = 56 + 40 = 96 kWh/m2/jaar
Bij de WEii worden ook de functies anders dan de hoofdfunctie meegenomen. Bijvoorbeeld bij een supermarkt hoort ook de opslag en het kantoortje dat bij de supermarkt hoort, te worden meegenomen.
Als er meerdere functies in een gebouw aanwezig zijn waar WEii waarden voor bekend zijn, dan moet het gewogen gemiddelde berekend worden, net zoals in de EPC-berekening. Bijvoorbeeld: x m2 maal het getal voor kantoor en y m2 maal voor het getal voor bijeenkomst, gedeeld door x+y geeft de gewogen gemiddelde WEii voor het gehele gebouw.
Als achter een hoofdmeter een specifieke verbruiksfunctie zit waar geen WEii waarden voor bekend zijn dan mag het verbruik hiervan in mindering worden gebracht op het door de hoofdmeter gemeten verbruik als het verbruik van dit specifieke onderdeel apart wordt bemeterd. Als het energiegebruik niet apart bemeten is mag er geen energiegebruik in mindering worden gebracht op het door de hoofdmeter gemeten energiegebruik.
Een project met WKO komt regelmatig voor, maar hoe ga je om met de warmte en elektriciteit? Hieronder een mini beslisboom om je te ondersteunen.
Is de WKO voor meerdere gebouwen?
NEE, alleen voor dit gebouw: reken geen warmte of koude, alleen elektriciteit ten behoeve van WKO en warmtepomp(en)
JA: is de hele WKO-installatie (incl warmtepompen) buiten de scope van het gebouw?
JA: gebruik de warmte en koude levering voor berekening van de WEii
NEE, De warmtepomp zit in het gebouw: gebruik koudelevering wel en warmtelevering niet in bij de berekening van WEii? Gebruik elektriciteit incl. verbruik van de warmtepomp.
Het kan voorkomen dat een project oppervlaktegegevens beschikbaar heeft van verschillende bronnen. Welke gebruik je dan? In het protocol geven we al aan welke opties er bestaan, maar mocht je toch twijfelen, dan houden wij onderstaande voorkeursvolgorde aan:
- NEN 2580
- Bestaand energielabel
- Eigen meting in tekeningen
- BAG
Parkeer- en terreinverlichting mag worden uitgesloten wanneer het verbruik afzonderlijk en controleerbaar wordt gemeten. Verlichting aan het gebouw, zoals gevel- en reclameverlichting, blijft onderdeel van het gebouwgebruik. Is de terreinverlichting niet apart bemeterd, dan kan het verbruik niet van de hoofdmeter worden afgetrokken.
WEii-klassen: van Zeer Onzuinig tot WENG
Ambities
De gebruikstypen die bij WEii gebruikt worden als basis voor de klassenindeling zijn gebaseerd op een indeling van de gebouwen die door ECN gebruikt is bij benchmarkstudies. De indeling van gebruikstypen zijn direct te koppelen aan een gebruiksfuncties uit het Bouwbesluit, die ook in de BAG gebruikt worden. Met het huidige aantal gebruiksfuncties is geprobeerd recht te doen aan een representatieve verdeling van de voorraad enerzijds en eenvoud en overzichtelijkheid van de methode anderzijds.
Neem bij vragen contact op via helpdesk@weii.nl.
De WEii-klassegrenzen zijn afgeleid uit de ECN-studie met energiegegevens van de Utiliteitsbouw uit 2015. Voor de klassegrenzen is gebruik gemaakt van percentielen: het percentage van de gebouwen die een lagere waarde heeft dan de klassegrens. Hierbij is de volgende indeling gemaakt:
-
Zeer Zuinig 10% percentiel
-
Zuinig 32,5% percentiel
-
Gemiddeld 67,5% percentiel
-
Onzuinig 90% percentiel
Daarnaast zijn de klassen Paris Proof en WENG toegevoegd. Paris Proof is 1/3 van het gemiddelde energiegebruik. Paris Proof gaat uit van 2/3 besparing t.o.v. de huidige verbruiken om in 2050 binnen de duurzaam opgewekte energieopwekking te blijven met de huidige gebouwvoorraad. Lees hierover meer op dgbc.nl. WENG geld voor nieuwbouw met een WEii-score van 0.
In het WEii-protocol zijn zes WEii-klassen benoemd, waar WENG de hoogste haalbare klasse is. Dat is een werkelijk energieneutraal gebouw: een gebouw dat op jaarbasis zijn eigen energiebehoefte kan voorzien. Paris Proof is de op één na hoogste klasse: een gebouw dat nog extern opgewekte duurzame energie nodig heeft, maar niet meer dan we in Nederland groen kunnen opwekken in 2050.
Hierbij hanteert WEii dat Paris Proof klassengrens voor bestaande bouw en renovaties wordt aangehouden en dat nieuwbouw WENG aanhoud om de door Dutch Green Building Council gestelde doelstellingen voor het presteren binnen de klimaatgrenzen te behalen.
Let op: nieuwbouw wordt gedefineerd als alle panden die vanaf 1 januari 2021 zijn opgeleverd.
Zie ook FAQ 'Wat verstaat WEii onder nieuwbouw en bestaande bou?'
WENG staat voor Werkelijk EnergieNeutraal Gebouw. WENG is in eerste instantie ontstaan met het idee om claims met betrekking tot energieneutrale gebouwen te beoordelen. Uitgangspunt daarbij is het werkelijk energiegebruik van een gebouw. Een Werkelijk EnergieNeutraal Gebouw heeft een WEii gelijk aan 0 kWh gebruik.
Om te voldoen aan de klimaatdoelstellingen uit het Klimaatakkoord van Parijs heeft DGBC een strategie ontwikkeld voor energiegebruik in gebouwen en materiaalgebonden CO2-emissies van bouwmaterialen. Bij het energiegebruik is er een einddoel in 2040 geformuleerd waarmee gebouwen ‘Paris Proof’ zijn. Voor dit einddoel in 2040 wordt ervan uitgegaan dat er geen CO2 meer wordt uitgestoten en dus alleen nog maar duurzame energie wordt gebruikt. Dit is afhankelijk van de beschikbare duurzame energie in Nederland enerzijds en de besparing die in gebouwen gehaald wordt anderzijds. Bij Paris Proof wordt uitgegaan tweederde besparen ten opzichte van het huidig gemiddelde gebruik. Nieuwbouw mag binnen de Paris Proof benadering geen energie meer gebruiken en moet daarmee WENG zijn.
Voor het materiaalgebonden deel heeft DGBC tevens een methode en streefwaarden ontwikkeld waarmee binnen het CO2-budget van 1,5 graden gebleven kan worden. Meer informatie daarover vind je hier.
Omdat beide programma’s betrekking hebben op de CO2-doelen van het Klimaatakkoord van Parijs noemen we beide streefdoelen Paris Proof.
De grenswaarden combineren het gemiddelde energiegebruik per gebruikstype uit ECN-onderzoek met het verwachte Nederlandse potentieel voor duurzame energie in Nederland. Daaruit volgt als algemene ambitie ongeveer twee derde energiebesparing ten opzichte van het referentieniveau om voor de bestaande gebouwvoorraad. Met deze besparing kunnen we de bestaande gebouwvoorraad van Nederland in 2050 voorzien van duurzaam opgewekte energie.
Bestaande gebouwvooraad is hierbij alle panden die vóór 1 januari 2021 zijn opgeleverd. Nieuwbouw (alles vanaf 1 januari 2021) valt hierbuiten en zou aan de WEii klasse WENG moeten voldoen.
Ja, voor Paris Proof is de opgave om twee derde te besparen ten opzichte van referentiejaar 2013.
In bepaalde situaties kunnen er toch wijzigingen ontstaan. Als het werkelijk gebruik normerend opgenomen gaat worden in regelgeving, dan kan het zijn dat er toch verschillen gemaakt gaan worden tussen sectoren. In energiebeleid en regelgeving speelt de kosteneffectiviteit namelijk altijd een rol. Het kan zijn dat twee derde besparen in de ene sector makkelijker is dan in de andere sector en dat op grond daarvan de Paris Proof-doelstellingen aangepast worden. Dit is met de publicatie van het WEii-protocol 3.0 het geval geweest bij de industriefunctie.
Paris Proof is het beoogde gemiddelde voor de sector in 2050, gericht op de bestaande voorraad. Gebouwen kunnen energiezuiniger zijn dan Paris Proof tot zelfs een Werkelijk Energie Neutraal Gebouw of energieproducerend.
Voor nieuwbouw gebruikt DGBC WENG als doelstelling voor het energiegebruik. Hier kan meer dan in de bestaande bouw en zou de besparingsopgave voor de bestaande bouw niet groter moeten maken.
Waar mogelijk kan zeker verder gegaan worden en kunnen gebouwen energieproducerend gemaakt worden. Hiermee wordt ook ruimte gecreëerd voor gebouwen waar de Paris Proof-ambitie lastiger gehaald kan worden, zoals monumenten.
Met de lancering van WEii als dé uniforme rekenmethode voor werkelijk energiegebruik zijn ook de Paris Proof-waarden herzien en is de overstap gemaakt van BVO (bruto vloeroppervlakte) naar GO (gebruiksoppervlakte). Aangezien de Paris Proof-getallen al gebaseerd waren op data op basis van GO zijn deze getallen niet aangepast.
Het Paris Proof-getal voor kantoren vormden hier echter de uitzondering in. De eerder gebruikte 50 kWh/m² was op andere data gebaseerd en op basis van de data van ECN ambitieuzer dan het algemene 2/3 beparingsdoel van Paris Proof. Het verschil tussen BVO en GO is bij kantoren ongeveer 15%, waarmee zonder het getal 50 aan te passen hij nog scherper zou worden. Met de lancering van WEii is het Paris Proof-getal voor kantoren daarom aangepast naar 70 kWh/m² waarmee hij in lijn is met de 2/3 besparingsdoelstelling en 70 kWh/m² GO komt ongeveer overeen met 50 kWh/m² BVO.
Bij het WENG ontwikkelen is een inschatting van het gebruikersgebonden energiedeel van belang. Tot op heden zijn er voor woningen en retail onderzoeken gedaan naar een gangbaar energiegebruik door de gebruiker van het gebouw. Voor andere sectoren is dit nog lastiger in te schatten. DGBC houdt de ontwikkelingen op dit vlak in de gaten.
Als we binnen een opwarming van 1,5 graden Celsius willen blijven, moeten we verder versnellen naar klasse Zuinig in 2025 en Zeer Zuinig in 2030. We willen vervolgens het einddoel van het Klimaatakkoord van Parijs – nul uitstoot in 2050, al in 2040 bereiken om het 1,5 ºC CO2-budget niet te overschrijden. Deze nieuwe tussen- en einddoelen moeten dus gezien worden als een verscherping van 'enkel' twee derde CO2 besparen in 2050.
Het is van belang om zo snel mogelijk energie te reduceren vanuit CO2 perspectief om twee redenen.
- Als je nu een ingreep doet in het pand gebruik je de jaren erna structureel minder energie. Dat is gunstig voor je portemonnee en voor het CO2-budget. Wachten met je gebouw verduurzamen zal minder effect hebben doordat de energiemix stapsgewijs duurzamer (en waarschijnlijk duurder) wordt.
- CO2 wordt beschouwd als een langlevend broeikasgas omdat het honderden jaren in de atmosfeer kan blijven. Het ondergaat langzame processen van absorptie door oceanen en vegetatie, waardoor het niet snel verdwijnt. Alle emissies die we nu niet reduceren hebben dus een cumulatief effect voor de komende honderden jaren met alle negatieve klimaateffecten van dien.
Gebouwtypes
WEii introduceerde eind 2022 de Werkelijke Energie intensiteit indicator voor woningen. Daar komt uit dat om Paris Proof te halen, het doel voor grondgebonden woningen op 35 kWh/m² en voor appartementen op 45 kWh/m² ligt.
De WEii-score van een gebouw wordt berekend op basis van het werkelijke, gemeten, energiegebruik en het gebruiksoppervlak van het gebouw. De eenheid van WEii is kWh per jaar, per m². Voor het ontwikkelen van het WEii-protocol Woningen is voortgeborduurd op de bestaande WEii voor utiliteitsgebouwen. Daarbij is voor het bepalen van de Paris Proof-doelen, zoals CO2-neutraal bouwen in 2050, rekening gehouden met de haalbaarheid.
Vanaf versie 3.0 van het WEii-protocol zijn deze woningen en utiliteitsgebouwen samengebracht in één protocol.
Vanuit het bouwbesluit vallen groepzorgwoningen, zoals verpleeghuizen vaak onder woonfunctie voor zorg. Maar qua functionaliteit en energiegebruik zijn verpleeghuizen meer vergelijkbaar met het gebruikstype tehuis met overnachting dan met woningen. Hierdoor mag in WEii een verpleeghuis als tehuis met overnachting beschouwd worden met de Paris Proof norm van 80 kWm/m².
Onder een winkel met koeling wordt warenkoeling verstaan. Voor winkels met en zonder koeling is de volgende indeling gemaakt naar winkelcategorie:
Winkel met koeling
- Bakker
- Visboer
- Slager/ poelier
- Foodspeciaalzaak met koeling
- Supermarkt
- Levensmiddelen overig
Winkel zonder koeling
- Consumenten elektronica
- Vrije tijd en educatie
- Huis en tuin
- Kleding, schoen en sport
- Persoonlijke verzorging
- Warenhuizen
- Woninginrichting
- Foodspeciaalzaak overig
De WEii neemt de gebruiksfuncties over vanuit het bouwbesluit, waarna een verdere opsplitsing wordt gemaakt wordt in gebruikstypen. Musea vallen onder het gebruikstype ‘bijeenkomstfunctie overig’.
Voor enkele specifieke gebouwen die niet binnen de gebruikstypen vallen, zoals laboratoria, zullen er geen passende WEii-klassen zijn voorgeschreven. Neem bij dergelijke situaties contact op met helpdesk@weii.nl.
WEii en wet- en regelgeving
In de wet
De Energiebesparingsplicht verplicht gebruikers om maatregelen toe te passen met een terugverdientijd korter dan vijf jaar. Het gaat dan om zowel gebouwgebonden maatregelen, zoals isolatie, als maatregelen in het gebruik of in het proces. In 2023 is overgegaan van negentien lijsten, voor iedere bedrijfstak een afzonderlijke, naar één lijst met drie onderdelen: gebouwen, faciliteiten en processen. De lijsten geven richting aan te nemen maatregelen die zich in vijf jaar of korter terugverdienen. De gebouweigenaar is verantwoordelijk voor de gebouwmaatregelen en de gebruiker voor de activiteitgebonden maatregelen. Als een gebouw aan de renovatiestandaard voldoet mogen de gebouwmaatregelen in één keer afgevinkt worden.
Portefeuille aanpak is erbij welke als alternatief kan dienen voor de EML. Dan moet er wel aantoonbaar
De handhaving was altijd een heikel punt. Per 1 juli 2019 is de bewijslast omgedraaid en moeten gebruikers rapporteren aan het bevoegd gezag. Vanaf 2022 is er extra geld en capaciteit beschikbaar gemaakt voor handhaving. Naast het aanvinken van doorgevoerde maatregelen moet het energiegebruik gerapporteerd worden. Het energiegebruik is daarmee ook in de Wet Milieubeheer een eerste controlestap. De maatregelen zelf zijn een goed handvat om het energiegebruik omlaag te brengen, maar de gebruiker zou de mogelijkheid moeten hebben om naar eigen inzicht tot het normgebruik te komen. Uiteraard als het gebouw en het gebruik daar aanleiding toe geven. Handhaven op het totale werkelijk energiegebruik is daarom ook voor de Wet Milieubeheer een logische richting. WEii, zeker in combinatie met het EnergieKompas kan gebruikt worden voor het prioriteren van de handhaving. Sinds 2023 is de portefeuilleaanpak voor grote gebouweigenaren actief. Bij aantoonbare jaarlijkse reductie gemeten met de WEii op portefeuilleniveau kunnen eigenaren gebruik maken van de vrijstelling voor de informatieplicht.
WEii biedt een uniforme methode om het totale werkelijke energiegebruik te meten voor routekaarten, monitoring en portefeuilleafspraken. De methode ondersteunt beleid, maar vervangt wettelijke eisen niet.
BENG berekent vooraf het theoretische primaire en voornamelijk gebouwgebonden energiegebruik. WEii meet achteraf het finale totale energiegebruik in de werkelijke situatie, inclusief gebruikersgebonden energie. De uitkomsten zijn daarom niet rechtstreeks vergelijkbaar, maar verschillen van elkaar:
-
WEii rekent met finaal energiegebruik, niet met primair energiegebruik zoals BENG.
-
WEii is inclusief het gebruikersgebonden energiegebruik.
-
WEii heeft betrekking op een werkelijke situatie, gebruikstijden en dergelijke zijn niet gestandaardiseerd.
Benchmarks
Voor nieuwbouw kan vóór ingebruikname alleen een inschatting worden gemaakt. WEii is immers gebaseerd op gemeten jaargebruik (van januari t/m december). DGBC hanteert WENG als ambitie voor nieuwbouw. Vergelijk na oplevering de prognose met het werkelijke gebruik en borg dit zo nodig met prestatieafspraken om de energiezuinigheid van nieuwe panden zo lang mogelijk te kunnen borgen.
Met de WEii-rekentool wordt naast de WEii-score ook een aantal overige indicatoren gegeven, waaronder de WEiiCO2. Hiermee wordt de ingevoerde energiegebruik omgerekend naar kg CO2/m². Voor het bepalen hiervan worden de gemiddelde of meest voorkomende emissies van het Nederlandse energiecentralepark aangehouden zoals op CO2emissiefactoren.nl worden gepubliceerd.
In de berekening in de rekentool is uitgegaan van de waarden die op deze pagina gepubliceerd zijn.
De footprint van de gebouwde omgeving is groter dan het energiegebruik dat op de meter zichtbaar is (operationeel energiegebruik). Naast de 29% CO₂-emissie vanuit het operationeel energiegebruik is ook de impact van de winning, productie, gebruik en sloop van materialen een grote post, naar schatting 11% van de Nederlandse emissies. Deze materiaalgebonden emissies worden berekend met een LCA (Life Cycle Assessment). DGBC heeft ook hiervoor een rekenprotocol en grenswaarden voor verschillende gebouwtypen ontwikkeld. Lees hier meer over het protocol materiaalgebonden emissies.
F-gassen van koelinstallaties zijn soms tot 1000-en malen sterkere broeikasgassen dan CO2. Door lekkages en bij onderhoud kunnen deze gassen ontsnappen. F-gassen vallen daarom onder de operationele emissies. Andere protocollen, zoals CRREM en GHP, nemen daarom F-gassen bij gebouwen op partijen moeten hierover rapporteren.
RIVM monitort het bijvullen van koelinstallaties. Alle partijen moeten aan RIVM rapporteren hoeveel men bijvult. Daaruit blijft dat F-gassen 0,5-0,8 Mton van de 165 Mton Nederlandse jaarlijks emissies veroorzaken. Dat is dus maximaal een 0,5% voor alle sectoren samen. Binnen het Klimaatakkoord worden deze emissie tot de industrie gerekend. Voor een deel komen deze uit de gebouwde omgeving, met bepaalde sectoren meer dan anderen, maar omdat het aandeel gering is, de monitoring per gebouw erg lastig en de gassen uitgefaseerd worden hebben we F-gassen niet in WEii opgenomen. De boodschap is vooral dat lekkages bij onderhoud en in gebruik tegengegaan moeten worden.